Restez informé(e)

Recevez nos meilleurs conseils parentalité chaque semaine. Gratuit, sans spam.

En vous inscrivant, vous acceptez notre politique de confidentialité.

le gouvernement propose la création d'un fichier des personnes exclues des établissements scolaires pour renforcer la protection de l'enfance et améliorer la sécurité au sein des écoles.
Kinderen

Jeugdbescherming: de regering overweegt het invoeren van een bestand met personen die van schoolinstellingen zijn uitgesloten

12 jun 2026 · 14 min de lecture · Par Clara.Michel.67

In het kort

  • Op 10 juni 2026 gaf de minister van Onderwijs Édouard Geffray aan op France Culture dat een nationaal bestand personen zou kunnen registreren die het verboden is om interventies bij minderjarigen binnen het schoolsysteem uit te voeren.
  • Het wetsvoorstel inzake kinderbescherming zal vanaf 15 juli in de Nationale Vergadering worden besproken.
  • Het systeem zou personen omvatten die strafrechtelijk veroordeeld zijn, maar ook personen die zijn ontslagen of geschorst vanwege ongepast gedrag tegenover kinderen.
  • Het ministerie benadrukt een betere informatie-uitwisseling tussen het onderwijs, buitenschoolse opvang en sport om de veiligheid van kinderen te versterken.
  • Édouard Geffray herinnerde aan een jaarlijks volume van ongeveer 80.000 zorgwekkende informatie of meldingen die aan de rechter worden doorgegeven op grond van artikel 40 van het Wetboek van Strafvordering.

Op 10 juni 2026, te gast op France Culture, lichtte de minister van Onderwijs Édouard Geffray een maatregel toe die ongetwijfeld opschudding zal veroorzaken in de gangen: de creatie van een nationaal bestand waarin personen geregistreerd worden die zijn uitgesloten van scholen, in brede zin. Het idee is eenvoudig te begrijpen, zelfs op een ochtend met een ouder-leraar bijeenkomst: vermijden dat iemand die om ernstige feiten of ongepast gedrag tegenover minderjarigen is uitgesloten, via een andere ingang, onder een andere hoedanigheid, bij een andere activiteit terugkeert. Achter de aankondiging bereidt de regering de behandeling voor van een wetsvoorstel over kinderbescherming, verwacht in de Nationale Vergadering vanaf 15 juli, in een klimaat waarin iedere controlefout een explosief onderwerp wordt.

Dit toekomstige bestand, dat nog nader moet worden gespecificeerd, zou passen in een logica van preventie en veiligheid van kinderen, door de controles voor scholen en administraties te stroomlijnen. De minister noemt ook het doel van samenhang tussen sectoren: school, buitenschoolse opvang, verenigingen en sport. Voor gezinnen klinkt de belofte als een extra veiligheidsgordel… op voorwaarde dat die goed vastzit, correct is afgesteld en niet als “noodzakelijke achterbank” wordt neergelegd.

Nationaal bestand van personen die van scholen zijn uitgesloten: wat de regering wil veranderen

De kern van de maatregel berust op een principe: een schooluitsluiting, wanneer die verband houdt met de veiligheid van kinderen, mag niet worden omzeild door van werkgever, hoedanigheid of activiteit te veranderen. In het interview op France Culture sprak Édouard Geffray over een “bestand van schoolverboden”, bedoeld om te voorkomen dat bepaalde personen “op welke manier dan ook door de deur komen”. De kwestie betreft zowel interventies in de klas als activiteiten daaromheen: huiswerkbegeleiding, toezicht op workshops, verenigingsactiviteiten, begeleiding bij uitstapjes, of taken binnen de school.

Het belangrijke punt in de voorgestelde opzet is de uitbreiding naar verschillende statuten. De doelgroep zijn niet alleen de medewerkers van het ministerie van Onderwijs. De door de regering genoemde tekst zou ook externe medewerkers, vrijwilligers of personen die tijdelijk worden ingezet, omvatten. In het echte leven van een school zijn het juist deze heen en weer bewegingen die grijze zones creëren: de vereniging die een club komt begeleiden, de aanbieder die een sportworkshop leidt, het personeel dat tijdelijk wordt aangenomen voor buitenschoolse tijden.

De minister gaf ook aan dat het bestand personen zou betreffen die strafrechtelijk veroordeeld zijn, maar ook individuen die zijn geschorst of ontslagen in verband met ongepast gedrag tegenover minderjarigen. Dit is een politiek gevoelig terrein, omdat het gaat om de grens tussen disciplinaire en gerechtelijke beslissingen. Voor de regering is het doel om niet te wachten totdat een dossier aan alle criteria van een strafblad voldoet om aan de kant van het onderwijssysteem te handelen, waar de primaire inzet toch preventie blijft.

In scholen vergt de concrete toepassing een verandering van routine. Tegenwoordig bestaan er controles, maar die zijn vaak versnipperd: de ene dienst controleert een document, de andere bekijkt een ander bewijsstuk, een derde vertrouwt op de vorige schakel. Met een enkel bestand zou het de bedoeling zijn om een gestandaardiseerde controle mogelijk te maken, sneller en minder afhankelijk van het “administratieve van mond-tot-mond” (dat sneller reist dan e-mails… maar minder betrouwbaar is dan de waarheid).

Om mogelijke effecten te illustreren zonder personages te verzinnen, volstaat een typisch voorbeeld: iemand die van een buitenschoolse activiteit is uitgesloten, zou via een dagvereniging kunnen proberen zich opnieuw te positioneren. Als de sectoren de informatie niet delen, is het risico logisch. Een doorsnijdend bestand, mits correct gevuld en geraadpleegd, heeft als doel dit soort omzeilingen te beperken. De belofte is hier een continue controle die de persoon volgt, niet het contract.

Wie zou worden ingeschreven en voor hoe lang: criteria centraal in de discussie

Het toekomstige systeem hangt af van de inschrijvingscriteria, die tijdens het parlementaire debat zullen worden vastgesteld. De aankondiging van de minister zet al twee categorieën op tafel: strafrechtelijke veroordelingen en beroepsmatige uitsluitingen gerelateerd aan ongepast gedrag tegenover minderjarigen. De praktische moeilijkheid begint wanneer moet worden vastgesteld wat “ongepast gedrag” binnen de administratieve context precies inhoudt: een gedocumenteerd ernstig feit, een opeenhoping van meldingen, een betwiste disciplinaire beslissing, of een situatie waarin twijfel tot verwijdering moet leiden.

De inschrijvingsduur is een andere knoop. Een bestand dat te “kort” is, kan inefficiënt zijn; te “lang” wekt vragen op over proportionaliteit, vooral wanneer de inschrijving niet gekoppeld is aan een veroordeling. Dit onderwerp is ook een kwestie van beheer: een nuttig bestand is een actueel bestand, met gerechtvaardigde registraties en duidelijke uitschrijvingen. Anders wordt het een administratieve zolder: het neemt ruimte in, piept en niemand weet wie wat heeft opgeborgen.

Het juridische kader moet deze lijst ook afstemmen op reeds bestaande verplichtingen, met name meldplichtregels en disciplinaire procedures. Het parlementaire debat zal concrete punten moeten beslissen: wie beslist over inschrijving, wie brengt die mee, wie mag raadplegen, en welke beroepsmogelijkheden zijn er. De geloofwaardigheid van het bestand, wat betreft de veiligheid van kinderen, zal afhangen van het vermogen om snel en degelijk te zijn.

Informatie-uitwisseling tussen sectoren: school, sport en buitenschoolse opvang

Édouard Geffray benadrukte een behoefte: betere informatie-uitwisseling tussen het ministerie van Onderwijs, sport en buitenschoolse opvang, om te “weten of iemand ontslagen is” in een van deze omgevingen. Het idee is silo-effecten te beperken die het voor een uitgesloten persoon mogelijk maken om binnen een sector elders te worden ingezet, soms heel snel, soms onder een andere status. De praktijk op het terrein is dat wervingskanalen, vooral voor korte opdrachten, snel en slecht uitgerust kunnen zijn.

Een beter georganiseerde uitwisseling kan ook bijdragen aan het harmoniseren van werkwijzen. In de ene regio kan een overheidsinstantie zeer streng zijn, in een andere minder uitgerust. Het nationale bestand, gepresenteerd als een maatregel van de regering, past dan in een logica van gelijke behandeling: hetzelfde waarschuwingsniveau, ongeacht of de school een grote stedelijke instelling of een kleine landelijke school is.

Dit raakt een kwestie van leerlingmonitoring in brede zin: kinderbescherming stopt niet binnen het klaslokaal. De randmomenten (kantine, speelplaats, sportactiviteiten, workshops) zijn vaak momenten waarop de begeleiding wisselt en de waakzaamheid constant moet blijven. Een transversaal hulpmiddel moet deze waakzaamheid minder afhankelijk maken van lokale herinnering, die uitstekend kan zijn… of afwezig wanneer teams wisselen.

Kinderbescherming en onderwijssysteem: waarom de school de voorhoede is van de meldingen

In zijn interview herinnerde Édouard Geffray aan een gegeven dat de omvang van het onderwerp aangeeft: jaarlijks zouden bijna 80.000 zorgwekkende meldingen aan justitie worden doorgegeven door het ministerie van Onderwijs krachtens artikel 40 van het Wetboek van Strafvordering. Dit mechanisme verplicht overheidsmedewerkers om feiten te melden aan de officier van justitie die mogelijk strafbare feiten vormen. Met andere woorden: de school is niet alleen een leeromgeving, maar ook een dagelijks observatorium, waar volwassenen kinderen vijf dagen per week over een lange periode zien.

Deze bijzondere positie verklaart waarom kinderbescherming voortdurend terugkeert in debatten over het onderwijssysteem. Onderwijsteams signaleren zwakke aanwijzingen: herhaalde afwezigheid, vermoeidheid, gedragsveranderingen, verontrustende uitspraken, onverklaarbare verwondingen. Melden betekent niet “zekerheid”, maar “een ernstige zorg die doorgegeven moet worden”. Het door de minister genoemde cijfer geeft een idee van de last: een massaal volume met zware menselijke en administratieve verantwoordelijkheid.

In deze context lijkt het idee van een bestand met uitgesloten personen politiek een logische uitbreiding: als de school het eerste signaalpunt is, wil zij ook beter gewapend zijn om te voorkomen dat risico’s de school binnenkomen. De veiligheid van kinderen wordt hier gewaarborgd via twee parallelle bewegingen: zorgen voor betere opsporing van zorgwekkende situaties bij leerlingen, en betere filtering van volwassenen die betrokken zijn bij de begeleiding.

Een minder zichtbaar, maar reëel issue betreft opleiding en het voorzien van hulpmiddelen. Een bestand voorkomt niet dat een school een signaal mist als er geen tijd, opleiding of interne procedures zijn. De in voorbereiding zijnde tekst wordt dan ook verwacht in zijn evenwicht: een controleinstrument voor betrokkenen, ja; een versterking van preventiepraktijken en leerlingmonitoring, ook. Anders stapelt de school verplichtingen en formulieren, met het risico dat teams worden verworden tot managers van permanente waarschuwingen.

Artikel 40: een kader dat meldingen structureert, met concrete effecten

Artikel 40 van het Wetboek van Strafvordering wordt vaak genoemd in het publieke debat, maar de effecten zijn zeer concreet: het formaliseert een kanaal tussen administratie en justitie. Op school uit zich dit in interne procedures, uitwisselingen met de hiërarchie, soms contacten met sociale diensten. De mechaniek is zwaar en vereist traceerbaarheid: wie wat zag, wanneer, hoe het werd gerapporteerd en volgens welke procedure. De kwaliteit van deze meldingen weegt op het vervolg, met name wanneer diverse instanties samenwerken.

Dit kader herinnert er ook aan dat kinderbescherming een gedeelde verantwoordelijkheid is. Het onderwijssysteem is een centraal, maar geen uniek actoren. Justitie, departementale diensten, medische structuren en verenigingen kunnen ook ingrijpen. Het belang van het voorgestelde bestand, zoals door de regering gepresenteerd, is het verkleinen van blinde vlekken aan de kant van volwassen betrokkenen, terwijl andere voorzieningen kinderen volgen.

Leerlingmonitoring: de educatieve continuïteit tegenover “gaten” in de begeleiding

De leerlingmonitoring wordt vaak genoemd in relatie tot leren, maar er is ook een bescherming: het signaleren van een breuk, een kwetsbaarheidssituatie, een plotselinge verandering. Buitenschoolse tijden, clubs, schoolsport en uitstapjes zijn rijke momenten… en soms minder homogene begeleiding. Wanneer een volwassene wisselt, of een vereniging een andere vervangt, kan de continuïteit van informatie verzwakken.

Een nationaal bestand lost niet alles op, maar kan een systematisch filter worden voor de toelatingsprocedures van volwassenen op school. Preventie in dit schema lijkt minder op een grootschalige spectaculaire operatie dan op een reeks eenvoudige, herhaalde en moeilijk te omzeilen controles. Scholen zijn vaak gewend aan materiële controles (ingangen, badges, lijsten). Hier gaat het erom de controle uit te breiden naar het uitsluitingsverleden en die raadpleegbaar te maken op het juiste moment.

Schooluitsluiting, vrijwilligerswerk en verenigingsactiviteiten: het lastige spel van statuten en controles

Het woord “uitsluiting” roept in het collectieve beeld vaak een leerling op die buitengesloten wordt. Hier gaat het om schooluitsluiting toegepast op volwassenen, dat wil zeggen het verbod om binnen een instelling te interveniëren. De minister benadrukte uitdrukkelijk dat het verbod zowel “op verenigingsbasis” als “op professionele basis” zou gelden. In het leven van een school is die precisering cruciaal: de school werkt met partners, soms talrijk, en soms jaarlijks vernieuwd.

De buitenschoolse opvang bijvoorbeeld mobiliseert animatoren, verenigingen, aanbieders. De sport betrekt opvoeders, clubs, opvangstructuren. Cultuur, kunstworkshops, incidentele interventies voegen andere actoren toe. Hoe diverser de statuten, hoe meer de controles verspreid raken. Elke structuur heeft eigen procedures, middelen en wervingsvereisten. Het risico voor de veiligheid van kinderen is dat de verificatie afhankelijk wordt van werkgever, tijdsschema en urgentie van vervanging.

In dit landschap zou een nationaal bestand worden gepresenteerd als een uniek toegangspunt. Het zou een school of administratie in staat stellen snel te controleren of iemand voorkomt op de lijst van uitgesloten personen. Ook is het doel de werklast van teams te vereenvoudigen. Een schooldirecteur heeft niet de ambitie om een onderzoeker te worden; die heeft een duidelijke tool, een duidelijk proces en een duidelijk antwoord nodig.

Het probleem schuilt in de uitvoering: wie raadpleegt, wanneer, met welke traceerbaarheid, en met welke garanties. Een controle “te laat” heeft geen zin. Een “fout uitgevoerde” controle leidt tot vals positieven of blinde vlekken. Een “te zware” controle wordt een rem op activiteiten, en de school beperkt uiteindelijk projecten uit angst voor administratie. De te volgen lijn voor de regering is het apparaat operationeel maken zonder van elke theaterworkshop een compliance-audit te maken.

In een school, wie moet wat controleren: een zeer concrete lijst

Om het belang van een bestand te begrijpen, moet je naar de echte instapmomenten kijken, die niet altijd centraal staan op de groepsfoto. Een lijst maakt het mogelijk situaties te visualiseren waarbij een controle nuttig zou zijn, zonder in permanente paranoia te vervallen.

  • Werving van animatoren voor buitenschoolse opvang tijdens de middagpauze en de naschoolse opvang.
  • Inzet van verenigingen voor huiswerkbegeleiding, educatieve begeleiding of thematische workshops.
  • Begeleiding van sportactiviteiten door externe opvoeders of partnerclubs.
  • Aanbieders voor artistieke, wetenschappelijke of digitale workshops georganiseerd binnen schooltijd.
  • Tijdelijk personeel (vervangers, versterking) ingezet bij personeelstekorten.
  • Begeleiding bij schooluitstapjes en verblijven, waar begeleiders in aantal toenemen.

Zo’n overzicht helpt ook om momenten te identificeren waarop een controle vooraf moet worden gedaan, en niet de avond tevoren. Anders staat de school voor de keuze: een activiteit annuleren of “vingers kruisen”, wat geen preventieplan is.

Tabel: meetbare controlepunten voor interventie bij minderjarigen

Een bestand is slechts een onderdeel van een systeem. Scholen en overheden gebruiken al concrete controles. De onderstaande tabel vat meetbare controlepunten samen, met hun logica en het ideale moment van uitvoering.

Controlepunt Aangeraden moment Geldigheidsduur (gebruikelijke praktijk) Te bewaren bewijs
Identiteitscontrole (officieel document) Voor de eerste interventie Bij elk nieuw contract of opdracht Kopie of interne referentie volgens procedure
Raadpleging van het bestand van uitgesloten personen (indien gemaakt) Voor toewijzing aan kinderen Herhalen bij herplaatsing Timestamp van raadpleging / intern bewijsstuk
Controle van vereiste bevoegdheden of vergunningen Voor aanvang van begeleide activiteit Afhankelijk van activiteit en regelgeving Attestatie of vergunningnummer
Administratieve goedkeuring van de opdracht (opdrachtbrief, overeenkomst) Voor toegang tot de instelling Duur van geplande activiteit Ondertekende overeenkomst / opdrachtbrief

Zo’n formaliteit heeft een nuttig neveneffect: wanneer een incident zich voordoet, kan de school laten zien wat is gedaan en wat verbeterd moet worden. Preventie wordt beter aangestuurd wanneer het sporen nalate die te gebruiken zijn.

Preventie en publieke vrijheden: hoe een bestand kan beschermen zonder te ontsporen

Een nationaal bestand, zeker wanneer het personen die zijn uitgesloten omvat, roept een onmiddellijke vraag op: hoe de veiligheid van kinderen te waarborgen zonder een uitsluitingsmachine op de verkeerde plek en het verkeerde moment te creëren. Het door de regering aangekondigde project wordt gedragen door een logica van kinderbescherming, maar moet aansluiten bij bekende regels: een duidelijke doelstelling, beperkt toegangsrecht, vastgestelde duur, gegevensbeveiliging. Zonder die waarborgen verliest het instrument zijn legitimiteit en wordt een extra blinde vlek.

Het debat gaat ook over de aard van geregistreerde informatie. Als het bestand beperkt wordt tot een verbod om in scholen te werken bij minderjarigen, betreft het een operationele status. Als het details bevat over feiten, procedures of beoordelingen, stijgt het risico op verspreiding en verkeerde interpretatie. In een omgeving waar roddels al rondgaan als lunchkaartjes, moet de granulariteit van data zodanig worden bedacht dat een preventie-instrument niet verandert in een stigmatiseermiddel.

Het onderwerp fouten is onvermijdelijk. Elk bestand kan naamverwarring, late updates of vergeten inschrijving bevatten. Op een school kan een fout twee ernstige en tegengestelde effecten hebben: iemand binnenlaten die dat niet mag, of onterecht iemand blokkeren met directe beroepsmatige impact. Beroeps- en correctiemechanismen moeten dus snel, traceerbaar en toegankelijk zijn, anders wordt het instrument een administratieve valstrik.

De regering moet ook duidelijkheid scheppen over governance: wie is verantwoordelijk voor de inhoud, wie vult het aan en hoe worden gegevens uit buitenschoolse opvang, sport en onderwijs geharmoniseerd. Zonder duidelijke governance is het bestand waarschijnlijk onvolledig en dus misleidend. Een gedeeltelijk bestand geeft de illusie van veiligheid, wat op zich al een probleem is als het gaat om kinderbescherming.

Effectieve preventie berust tenslotte op het daadwerkelijk gebruik. Als de toegang te complex is, als bevoegdheden onduidelijk zijn, als teams niet getraind zijn, wordt raadpleging willekeurig. In dat geval bestaat het instrument alleen op papier, niet in de praktijk. Voor het onderwijs moet een beschermend systeem ingebed zijn in dagelijkse procedures, net als regels over toegang tot gebouwen of evacuatie-instructies.

Wat zeggen we ervan?

Het bestand van uitgesloten personen kan de veiligheid van kinderen versterken als de inschrijvingscriteria streng zijn, de updates snel en de toegang daadwerkelijk operationeel voor scholen. De aankondiging van een transversaal instrument, dat ook buitenschoolse opvang en sport omvat, speelt in op een bekende zwakte: omzeiling door wijziging van structuur of statuut. Het belangrijkste risico is juridisch en praktisch: een inschrijving aan disciplinaire besluiten moet sterke garanties bieden, anders wordt het systeem betwist en verzwakt. Het meest waarschijnlijke scenario is een bestand gericht op het verbod op werken met minderjarigen, met gestandaardiseerde raadplegingsmodaliteiten om de illusie van controle te voorkomen.

Le fichier concernera-t-il uniquement les personnes condamnées pénalement ?

D’après les éléments présentés par Édouard Geffray sur France Culture le 10 juin 2026, le périmètre envisagé ne se limiterait pas aux condamnations pénales. Il inclurait aussi des personnes révoquées ou licenciées pour comportements inappropriés envers des mineurs. Les critères exacts doivent être précisés lors de l’examen parlementaire à partir du 15 juillet.

Qui pourra consulter le fichier dans les établissements scolaires ?

Le principe annoncé vise à permettre aux établissements scolaires et aux administrations de vérifier le parcours d’intervenants au contact de mineurs. Les détails dépendront du texte final: il faudra définir des personnes habilitées, des conditions d’accès et une traçabilité. Sans règles claires, la consultation serait inégale et moins efficace en prévention.

En quoi ce fichier change-t-il la prévention dans le périscolaire et le sport ?

Le ministre a mis en avant un partage d’informations entre secteurs, pour savoir si une personne a été écartée d’un cadre et tente de revenir par un autre. Le bénéfice attendu est de limiter les angles morts liés aux statuts multiples (salarié, prestataire, bénévole) et de renforcer un filtre commun au service de la sécurité des enfants.

Le fichier va-t-il améliorer le suivi des élèves ?

Indirectement, oui, si la présence d’adultes à risque est mieux filtrée. Le suivi des élèves repose aussi sur la capacité à repérer et signaler des situations préoccupantes, un rôle que l’Éducation nationale assume déjà largement. Le fichier ne remplace pas les procédures de signalement, mais peut réduire les risques d’exposition en milieu scolaire.

Scroll naar boven